While still there, there was a very large number of bombers that flew over at high altitude, this time in the opposite direction, away from Singapore. We wondered about their target but luckily we heard no whistling so lets be gone quickly.
Our cabins which while at anchor with no wind, had become hotter and hotter were now being cooled down by a fresh wind generated by the speed of the ship. A cooler cabin also helped to smooth our stretched-out nerves and we looked more hopeful towards the future.
What was in store for us? We found out soon enough! We sailed to Oosthaven on the Lampoen Bay on the South point of the island of Sumatra where we anchored between a couple of islands in the bay. Here it was restful. We floated peacefully in the calm very quiet and clear waters in beautiful green surroundings. We were moored next to a gun boat from the Dutch Navy called “Soemba”. I can no longer recall whether it was there when we came or whether it came after us; fact is that we were together for at least a week or so.
We received the unhappy order from Batavia that our three anti-aircraft guns, as well as the English gunners, had to be put ashore pronto and transported northwards. It transpired that the Japs had already landed there. This came as a bolt from a blue sky. The English soldiers were a group of nice guys and had become very much part of the crew. There was also the fact that all of a sudden we lost our entire anti aircraft capability. We were all shocked. The Captain could not change this either and so we had nothing better to do than to shake their hands and wish them the best of good luck.
We had been anchored there doing nothing much at all, but not for long though. To prevent the barges in Oosthaven from falling in enemy hands we were ordered to sink them. The captain had again been in contact with Batavia to find out what in heavens name had to be done with the ships cargo because we were still loaded with ammunition in three quarters of the holds.
The situation was very grim everywhere and nobody knew what to tell us. I believe that there was no use for the bombs because we did not have any airplanes left. What or from where the final decision had come I don not know but a day later the barges came alongside with the order this time that they had to be loaded with the ammunition out of our holds, afterwards to be filled with the cooling water from the ships engines and sunk. All to be done by our own crew.
In the meantime our Captain and the Commandant from the Soemba had invited each other for special meals. A complete rijsttafel on the Soemba and a culinary masterpiece on our ship. It was here that the chef showed somewhat more fantasy than he ever did for the crew. These delicacies disappeared in the stomachs already half filled with strong and not so strong liquor. The friendship became strong and long lasting as would prove in the future.
Day about either our Captain would tootle along in the lifeboat to the Soemba while the next day the Commandant of the Soemba would come to us in a little rowboat. That was another story. Here came this spick and span little yacht with in the stern a spick and span commandant being rowed by a spick and span sailor. They were rowing as only they row in the navy, short quick strokes. With every stroke the body of the Commandant went a little backwards and when he recovered the sailor made sure that with the next stroke he would bend back a little further. After watching this for a while we wondered who was actually leading this rhythm. In any case it was pretty to watch and the commandant acted as if this was the most natural thing to do. And this was so; it was an exhibition of the age old and wide folklore of the navy. How the man got rowed back in the middle of the night I never found out. I never woke up to watch this but it does not take much imagination to envisage this.
In the meantime all available barges, brimful with ammunition, were sunk. On the horizon we could see the smoke of the torched plantations. Again the Japs came too close for comfort. Across the whole of the Dutch East Indies there were landings and bombardments. Singapore had fallen and that was only a small part of the total operations. In all areas the Japs were superior. Resistance was nil. Everywhere there was total chaos. Only on the island of Java were no Japs but it was being bombed. Yet in Batavia they were thinking about us. On 17th February 1942, the message was received that we had to speed to the harbour of Tjilatjap which is on the South side of Java.
<< previous chapter ——————————————————————————next chapter >>
Toch kwam er nog een heel stel bommenwerpers over ons schip en wel in tegengestelde richting. Vrij hoog dat wel, maar wat was hun doel? We hoorden geen gefluit gelukkig. Weg hiervandaan. De warme hutten die, met het stilliggen in Singapore, steeds warmer waren geworden werden nu gekoeld door een fris ( nou ja enigszins fris ) windje dat door de snelheid van de boot werd opgewekt. Dat werkte ook weer een beetje zalvend op onze gestresste nerven en we keken dan ook allen een beetje hoopvoller naar de toekomst.
En wat had die voor ons in petto? Dat kwamen we vrij vlug te weten. Terug naar de zuidpunt van Sumatra naar het kleine haventje Oosthaven aan de Lampoenbaai, alwaar we aankwamen en voor anker gingen tussen een van de eilandjes die in de baai gelegen waren.
Hier heerste een serene rust. We dreven daar in zeer kalm helder water in een prachtige, geheel groene omgeving. We lagen naast een kanonneerboot van de Nederlandse Marine de ‘Soemba’ genaamd. Nu weet ik niet meer of de Soemba er al lag of dat die een paar dagen later kwam. Feit is dat we daar toch wel een weekje naast elkaar hebben gelegen.
Een van die dagen kwam het onzalige bericht uit Batavia dat de drie luchtafweerkanonnen plus de Engelse soldaten, in gezwinde pas, aan wal gezet moesten worden alwaar ze richting Noord Sumatra getransporteerd werden. Het bleek dat de Jappen daar intussen waren geland.
Dit sloeg in als een bom. De Engelsen waren aardige lui en waren eigenlijk helemaal opgenomen als lid van de bemanning. En dan was er nog het feit dat we ineens al onze afweer kwijt waren. Grote verslagenheid bij iedereen. De kapitein kon er ook niets aan doen en zo hebben we ze allen de hand geschud en het allerbeste toegewenst.
Eigenlijk lagen we daar maar te niksnutten. Niet lang echter. Teneinde te verhinderen dat de in Oosthaven gelegen barges in Japanse handen zouden vallen moesten deze worden afgezonken. Intussen was ook de kapitein in contact geweest met Batavia om te weten te komen wat er in vredesnaam ( mooie uitdrukking in dit verband ) met de lading van het schip moest gebeuren, want het zat nog voor driekwart vol met munitie. De toestand was nu kennelijk overal zo ernstig dat men er daar ook geen raad mee wist. Ik geloof dat er voor de bommen in ieder geval geen emplooi was want er waren geen vliegtuigen meer. Wat er verder is afgesproken weet ik niet, maar het was wel zo dat een dag later de barges langszij werden gebracht en er order werd gegeven dat deze vol geladen moesten worden met de munitie uit onze ruimen, daarna onder de koelwateruitlaat van de hoofdmotoren vol te laten lopen en tot zinken te brengen. Door de bemanning, dat wel.
Intussen hadden onze kapitein en de commandant van de Soemba elkaar wederzijds uitgenodigd voor o.a. een uitgebreide rijsttafel enerzijds (Soemba) en een culinair kunstwerk onzerzijds. Hier legde de Hofmeester ietwat meer fantasie aan de dag dan dat hij ooit voor de bemanning had gedaan. Deze heerlijkheden plonsden in magen die reeds voor zo n 75 % gevuld waren met sterke en minder sterke dranken. De vriendschap werd zeer innig en langdurig, zoals later zou blijken.
Onze kapitein tufte de ene dag in de motorreddingsboot richting Soemba, hetgeen een normaal gezicht was, en de andere dag kwam de Commandant in een klein roeibootje onze kant uit. Dat was andere koek. Een kraakschoon sloepje, achterin een kraakschone commandant, en een kraakschoon matroosje vlug en net in een kraakschoon uniform, aan de riemen. Er werd geroeid zoals dat alleen bij de marine wordt gedaan. Korte vlugge trekjes deden het werk. Bij elk trekje van de riem ging het lichaam van de commandant een tikje naar achter en als hij dan weer in de normale positie terug veerde zorgde de matroos er voor dat hij met een forse slag van de riemen weer naar achter werd getrokken. Na een poosje kijken dacht je bij jezelf, wie geeft nu eigenlijk leiding aan dit ritme. In ieder geval een uitzonderlijk mooi gezicht en de commandant deed net of het allemaal heel gewoon was. En dat was het natuurlijk ook. Het was een opvoering van een oeroud stukje uit de uitgebreide Marinefolklore. Hoe de man later in de nacht terug werd geroeid weet ik eigenlijk niet, daar werd ik nooit voor wakker gemaakt, maar veel verbeelding is er denkelijk niet voor nodig.
Intussen waren alle beschikbare barges, boordevol munitie, afgezonken en werd aan de horizon, zover die zichtbaar was, een grote hoeveelheid rook waargenomen van in brand gestoken plantages.
Weer kwamen de Jappen te dichtbij naar ons zin. Over geheel Nederlands – Indië waren ze landingen en bombardementen aan het uitvoeren.
Singapore was intussen gevallen en was eigenlijk maar een onderdeel van al deze operaties. In alle krijgsverrichtingen waren ze oppermachtig. Tegenstand was nihil. Overal was eigenlijk totale wanorde. Alleen op Java werd er nog geen Japanner waargenomen, maar werd het noorden wel gebombardeerd.
Toch werd er in Batavia nog aan ons gedacht. Bericht werd ontvangen dat we ons gezwind naar de haven van Tjilatjap (tegenwoordig Cilacap geheten ) moesten begeven, dat aan de zuidzijde van Java is gelegen. Dat was 17 februari 1942.
<< vorig hoofdstuk ——————————————————————–volgend hoofdstuk >>