The Caribbean Sea with all its islands to hide behind was the play ground of the German Submarines. Luckily we left the area unmolested and sailed into the open waters of the Atlantic Ocean. Full steam ahead and of course steering a zig-zag course. Ever since Trinidad we had doubled the look outs. This gave us heart because we had survived the most dangerous part of the journey “Trinidad-England”.
On 24th August we were about halfway the Atlantic Ocean about six hundred miles from our destination when the Captain received a message that a U-Boat was sighted about fifteen miles from our position. In the afternoon our lookout in the crowsnest briefly saw a dark object. Although not seeing anything further we changed course and after dark we changed even more drastically. We were all aware that our chance of escape in this situation was very small. If it was a U-Boat of the latest design, than his speed on the surface would be considerably higher than ours, particularly with the thick growth we had on our bottom and sailing a zig-zag course.
On top of this the U-Boat had a variety of technical aids to assist in finding and following ships even at night. We just had to wait and see. The engine room watch I was given was from 8-12 hours and from 20- 24 hours. I can assure you that that night we went on watch with very mixed feelings. Up till now we had worked with the feeling that if it had to happen than so be it. It did not pay to try to look ahead. We had this feeling now for some time and one got used to it. Up till now everything had gone OK so that was more or less expected to continue. But now it was different, now we knew with some certainty that at any moment a torpedo could crash into the engine room. We calculated our chances e.g. the length of the engine room was about one fifth of the length of the ship. There was a four fifth chance that a possible torpedo would explode in the sugar. How about that?
That night our watch went as normal and at 23.45 hours I went as was usual topside to wake the people of the next watch. When I was trying to step across the doorstep of the deckhouse to check on the steering engine at the rear, the ship got an enormous bang. This large sluggish ship staggered a few times backwards and forwards.
“That is the way it goes” I thought and raced along all the cabins of the engine room personnel who had their cabin in the same passage and awoke them. After this I went to my own cabin, I put on my uniform coat, put on my belt with my waterproof bag holding my most important papers and bowie knife and put on my lifejacket. My pocket torch, which I always needed in the engine room, was in my back pocket and was handy. It was than that I realized that the engines were still going and I thought I need to be down below in the engine room. It appeared that the engine room was not hit. The torpedo had exploded in the middle of the sugar in front of the engine room in hold No2, which had dampened the blast but had put a large hole in the hull.
Just as I opened the door to the engine room and looked down they stopped the engines. I was already a few steps down the stairs when all the people of my watch raced to the top. One wonders what made me go down again in a situation like this? Duty? Never! One does not wish to abandon one’s mates. In case of difficulties one may need each other. For instance in a sudden black out, everyone no matter where he sits, stands or sleeps, races immediately downstairs. One does not think about it, it is impulse. Even in this situation where we were hit by a torpedo.
If you think about it one should make a bee-line for the life boats. Anyhow the time had come to do exactly that. There was a quick reaction when the signal “Make ready for the lifeboats” came. On the boat deck we found that the two boats on the starboard side had been thrown out of their davits by the explosion and were useless. Everybody had to get aboard the two boats on the portside which relatively speaking went well.
Those responsible for the launching of the life rafts had done this and were now with us. Just as the order came to man and lower the boats a torpedo burst into the engine room and exploded with an enormous bang. A large pillar of flames tore away the glass canopy which allowed daylight into the engine room and threw it sky high. Lucky that the torpedo hit the ship on the same side as the first one otherwise we together with the boats would have been blasted away.
The lowering of the boats was done perfectly; the oars were put into the rowlocks and than row, row as fast as we could to get away from the ship.
To watch your ship on which you had so many experiences sink is no fun. Slowly our ship disappeared under the water. Sitting in our insignificant little lifeboat the ship was a giant. Now groaning under the force of all the loose materials and machines that were sliding with considerable noise towards the lowest point on the decks. Moaning the colossus slid at an angle of 60 degrees with the nose down under the water level. Later we heard another explosion and the creaking and crumbling of the hull that could not stand the enormous pressure at depth.
Then it was quiet, very, very quiet.
Suddenly no more humming of the ships engines or the hard droning of the exhaust system or the rushing of the water passing the ship’s hull. All was very, very quiet. The world was now very unreal.
<< previous chapter ——————————————————————————next chapter >>
De Caribische Zee en de eilanden rondom was, om zo te zeggen, de speeltuin van de U boten. Gelukkig verlieten we het Caribische gebied ongemolesteerd, als ik het zo zeggen mag, en voeren het open water van de Atlantische Oceaan binnen. Onvervaard met volle kracht en natuurlijk flink zig-zaggend vingen we de oversteek aan.
Al vanuit Trinidad was de uitkijk verdubbeld. Het gaf ons weer wat moed dat we het als zeer gevaarlijk bekend staande Caribische gedeelte van de reis ‘ Trinidad -Engeland ‘ achter de rug hadden. We waren op 24 augustus al ongeveer halverwege de Atlantische Oceaan, nog zo’n zeshonderd mijl van onze bestemming, toen de kapitein bericht kreeg dat een U-boot op ongeveer 15 mijl afstand van onze positie was waargenomen.
In de namiddag werd door de uitkijk in het kraaiennest eventjes een zwart voorwerp gezien. Hoewel men daarna niets meer zag, werd toch de koers enige graden naar b.b. verlegd en na het donker worden werd deze nog verder verlegd.
We begrepen allen wel dat de kans op ontkomen in dit geval zeer klein was. Als het een onderzeeboot was van het latere type, was zijn snelheid boven water hoger dan de onze. Zeker met het dikke aangroeisel aan de huid van ons schip, terwijl er ook nog flink werd gezigzagd. Bovendien had de U boot de nodige hulpmiddelen om een schip op te sporen en te volgen. Ook ’s nachts. Wij moesten gewoon afwachten en wel zeer lijdzaam. De machinekamerwacht die ik liep was van 8 tot 12 uur en van 20 tot 24 uur. We gingen deze avond met zeer gemengde gevoelens naar beneden.
Tot nog toe hadden we gewerkt met het gegeven dat, als het moet komen dan komt het.
Je kon niet vooruit kijken en dat was maar goed ook. Met dat gevoel hadden we al zo lang gevaren dat je er een beetje aan gewend (?) was geraakt. Tot nog toe was alles toch nog goed gegaan !
Nu wist je dat er een grote zekerheid was dat er elk ogenblik een torpedo in de machinekamer kon binnen schieten. Toch ga je een kansberekening maken. B.v. : omdat de lengte van de machinekamer ongeveer 1/5 van de gehele scheepslengte was, was er dus nog 4/5 kans dat een eventuele torpedo in de suiker zou ontploffen. En zo lust ik er nog wel een paar.
De wacht verliep normaal en om 23.45 uur ging ik, zoals te doen gebruikelijk, naar boven om de volgende wacht te wekken. Toen ik over de drempel van het dekhuis op dek wilde stappen om de stuurmachine in het achterschip te gaan controleren, kreeg het schip een enorme doffe dreun te verwerken. Het grote zware logge schip waggelde als het ware een paar keer van b.b. naar s.b. en terug. Zo gaat dat dus, dacht ik. Ik liep als een haas langs alle hutten van de scheepswerktuigkundigen, die hun verblijven in dezelfde gang hadden, en porde ze wakker.
Zelf ging ik naar mijn hut, trok mijn uniformjasje aan, gordde mijn riem om met daaraan reeds een waterdicht tasje met de allerbelangrijkste papieren en een dolkmes en omhulde mijzelf met mijn zwemvest . Mijn zaklantaarn, die ik in de machinekamer altijd nodig had, zat in de achterzak van mijn overall en dus bij de hand.
Toen realiseerde ik me dat de motoren nog draaiden en ik dacht, ik hoor beneden te zijn. De machinekamer was dus niet getroffen. Het bleek dat de torpedo in ruim twee, dus voor de machinekamer, in de suiker was gesmoord, maar natuurlijk in de scheepshuid een levensgroot gat had geslagen. Juist toen ik de deur van de machinekamer opende en naar beneden keek werden de motoren gestopt. Ik stond al een stapje of twee, drie op de trap om naar beneden te gaan, toen mijn wachtgenoten als een haas naar boven kwamen.
Je vraagt je af wat bezield een mens om in deze situatie weer naar beneden te gaan. Plicht? Nooit !!
Je wilt je medewerkers niet in de steek laten en in geval van moeilijkheden heb je elkaar nodig.
Zo kun je b.v. in moeilijkheden raken bij een plotselinge ‘black out’. Iedere s.w.t.k. waar hij ook zit of slaapt, rept zich direct naar beneden. Je denkt daar niet bij na, het is een impuls. Een torpedering is natuurlijk een extreem geval. Maar de impuls was er dus wel. Als je goed nadenkt zou je als de bliksem naar de reddingsboten lopen. Enfin daar was het dus nu de hoogste tijd voor. Op het sein ‘klaar maken voor de sloepen’ werd snel gereageerd. Op het sloependek gekomen bleek dat de twee sloepen aan s.b. zijde door de explosie uit hun davits waren geschoten en niet te gebruiken waren.
Dus iedereen moest nu in de b.b. sloepen hetgeen aardig lukte.
Degenen die verantwoordelijk waren voor het te water laten van de vlotten hadden dit reeds gedaan en stonden nu ook bij de boten. Juist toen de orders werden gegeven om de sloepen te bemannen en te vieren kwam een torpedo met een ontzettende explosie de machinekamer binnen.
Een grote steekvlam rukte de glazen koepel, die het daglicht toegang gaf in de machinekamer finaal van zijn vastgeklonken fundatie een flink eind de lucht in.
Gelukkig kwam de torpedo aan dezelfde kant van het schip binnen als de eerste, anders waren we met zijn allen met sloepen en al de lucht in gevlogen.
Het vieren van de sloepen ging voorbeeldig. De stootboeien werden losgeschroefd en over boord gezet en de riemen in de dollen gelegd en toen roeien maar. Zo vlug mogelijk weg van het schip.
Een schip zien zinken waar je toch nog al veel op hebt meegemaakt is geen lolletje. Langzaam verdween het onder water. In het nietige sloepje was het schip een reus. Kreunend ( alles wat nog aan dek gesjord was schoof uit zijn sjorringen met flink geraas naar het laagste punt) en steunend schoof de enorme kolos onder een hoek van ongeveer 60 graden met zijn neus naar beneden onder de wateroppervlakte. Even later hoorden we nog een explosie en het kraken en verkreukelen van het schip dat de ontzettend grote druk op grote diepte niet meer kon verwerken.
Toen werd alles stil, heel, heel, heel stil.
Plots geen gerommel meer van de motoren in het schip en het harde geronk van uitlaatgassen uit de schoorsteen of het geruis van de door het schip gemaakte boegwatergolven.
De wereld was wel zeer onwerkelijk.
<< vorig hoofdstuk ——————————————————————–volgend hoofdstuk >>